Historisch materialisme

Filosofie en zo

Website van At van Rijsdam

Bram Teerds, Jos Klink en ik maken een studie over de filosofie van Karl Marx, Friedrich Engels en aanverwante filosofen als Feuerbach, Proudhon e.a

 

 

A. Idealisme in Marx' historisch materialisme? B. Franse filosofen

Utopisch socialisme, positivisme, materialisme, marxisme

P.J. Proudhon .

A

 

IDEALISME IN MARX’ HISTORISCH MATERIALISME?

een verkenning

door Jos Klink

 

I

Het marxisme, de sociale filosofie en economische ontwikkelings-theorie waarvan de grondbeginselen werden ontwikkeld en vastgelegd door Karl Marx en Friedrich Engels, hanteert een materialistische geschiedenisopvatting als fundament, beter bekend onder de naam historisch materialisme. Daarmee traden beiden in de voetsporen van hun leermeester Ludwig Feuerbach en zetten zij zich af tegen de hoofdstroming binnen de toenmalige Duitse filosofie, het idealisme. De basisgedachte van het historisch materialisme moge bekend zijn: de organisatie van de productie vormt het fundament van de samenleving van waaruit de ideeën voor de maatschappijinrichting ontstaan. Een idee ontsproten aan de menselijke geest vindt dus altijd zijn oorsprong in de materie.

Dit essay behandelt een bijzondere vraag: in hoeverre is er binnen het marxisme sprake van een vorm van een idealisme, dit ondanks het fundament van het historisch materialisme?

 

II

Kant (1724-1804), feitelijk de grondlegger van het Duitse idealisme, probeerde het traditionele onderscheid tussen rationalisme en empirisme op te heffen door de vraag te stellen of synthetische oordelen a priori mogelijk waren. Eenvoudig gezegd was Kants antwoord op de door hemzelf geformuleerde vraag dat zowel de rede als de waarneembare werkelijkheid onmisbaar waren voor de menselijke kennis, met die kanttekening dat de mens de werkelijkheid vorm geeft met vooraf in het verstand aanwezige categorieën aan kennis – feitelijk de kern van het idealisme in Kants betoog. Idealisme dient echter niet te worden verward met het rationalisme dat door Kant weliswaar in zijn eigen filosofische systeem werd geïncorporeerd, maar waarbij er voldoende ruimte overbleef voor een empirisme. Hoewel bij Kant het idealisme het empirisme dus niet uitsluit, is het verstand onmisbaar voor de ordening van de werkelijkheid.

Evenmin dient empirisme te worden verward met materialisme; Spinozat (1632-1677) toonde in zijn gehele filosofische werk, maar vooral in zijn hoofdwerk ‘Ethica’, reeds aan dat een materialistische wereldopvatting vanuit het rationalisme kon worden onderbouwd. Een gevolg van die opvatting is uiteraard dat Spinoza’s filosofie zelf direct wordt bepaald door de materie, iets wat Spinoza zelf consequent accepteerde door uit te gaan van het ontbreken van een vrije wil. Toch zijn er ook weer overeenkomsten tussen materialisme en empirisme. Zo zou juist Marx zelf met het centraal stellen van de economische geschiedenis aantonen dat een materialistische benadering vooral een empirische benadering is. Dat laatste is althans de opvatting van de econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) die beweerde dat: ‘Marx’s philosophy is no more materialistic than is Hegel’s, and his theory of history is not more materialistic than is any other attempt to account for the historic process by the means at the command of empirical science.’

 

Is er in het marxisme met zijn sterke empirische inslag wellicht ook sprake van een verborgen vorm van idealisme, dit dus ondanks het historisch materialisme waarin het idealisme feitelijk was uitgesloten. We bezien dit idealisme aan de hand van ethische stellingnamen in de leer van marxisme. Overbodig om te melden dat we het begrip idealisme hier in filosofische zin gebruiken en niet in de zin van een na te streven ideaal (hoewel die beiden soms kunnen samenvallen).

 

III

De marxistische leer combineert een naar eigen zeggen wetenschappelijk bewijs van een wetmatige historisch-maatschappelijke ontwikkeling met een scherp rechtvaardigheids-gevoel, dat zich vooral uit in het politieke handelen zoals dat door de latere communistische partijen en bewegingen in de praktijk werd gebracht. Marx liep zelfs reeds op die toekomstige ontwikkelingen vooruit door vooral in zijn Londense jaren een leidende rol op te eisen in de internationale socialistische beweging met al het bijbehorende politieke en bestuurlijke gekonkel.

 

In de maatschappelijk frustratie van de arbeiders en de al even grote politieke frustratie van een vooruitstrevende groep progressieve intellectuelen vond het marxisme zijn voedingsbodem en zou het een langdurige stempel drukken op de ontwikkelingen in de wereld. Een wetmatige ontwikkeling enerzijds en een norm voor rechtvaardigheid anderzijds lijken in eerste instantie niet in elkaars verlengde te liggen, tenzij in de wetmatigheid van een historische maatschappelijke ontwikkeling de rechtvaardigheid ligt besloten of – en dat is nog een andere mogelijkheid – dat het idee rechtvaardigheid ontstaat uit het op dan moment bestaande materialistische ontwikkelingsfase van de maatschappij.

Marx‘ vroege economisch-theoretische werk, de ‘Ökonomisch-philosopische Manuskripte aus dem Jahre 1844’, geeft een beeld van de ontwikkeling van zijn denken en de wijze waarop zijn hij zijn eigen denkproces stuurde. Marx’ wetenschappelijke teksten, zo blijkt ook uit de economisch-filosofische geschriften, bevatten zeker aan waardeoordelen verbonden opvattingen zoals ‘uitbuiting en vervreemding’. Het wetenschappelijk werk van Marx dient wel duidelijk te worden onderscheiden van zijn activistische geschriften en pamfletten, hoewel het ‘Manifest der kommunistischen Partei’ uit 1848 een bijzonder mengvorm vormt van wetenschappelijke en politiek-activistische uitspraken. Enerzijds wordt daarin de onontkoombaarheid van de nadere ontwikkeling benadrukt:

'Die theoretischen Sätze der Kommunisten beruhen keineswegs auf Ideen, auf Prinzipien, die von diesem oder jenem Weltverbesserer erfunden oder entdeckt sind. Sie sind nur allgemeine Ausdrücke tatsächlicher Verhältnisse eines existierenden Klassenkampfes, einer unter unseren Augen vor sich gehenden geschichtlichen Bewegung. Die Abschaffung bisheriger Eigentumsverhältnisse ist nichts de Kommunismus eigentümlich Bezeichnendes‘. (blz. 56).

Anderzijds de noodzakelijkheid van gerichte politieke- en maatschappelijke actie:

‘Was den Kommunismus auszeichnet, ist nicht die Abschaffung des Eigentums überhaupt, sondern die Abschaffung des bürgerlichen Eigentums.‘ (blz. 57).

De historische wetmatigheid vraagt dus wel de nodige gerichte acties van de partij; te vergelijken met de idee van de mens te beschikken over een vrije wil, terwijl die vrije wil feitelijk niet zou bestaan.

 

IV

De ineenstorting van het kapitalistisch systeem zal worden gevolgd door de dictatuur van het proletariaat, de laatste stap op weg naar het einde van de geschiedenis en de rechtvaardige samenleving. Alle klassen hebben hun maatschappelijke rol en taak vervult. Zij konden niet anders. Een kapitalist kan moreel gezien onrechtvaardig handelen – feitelijk doet hij niets anders dan dat, onder de vlag van het kapitalistisch systeem – maar het is hem niet kwalijk te nemen. In die zin oordeelt het marxisme feitelijk niet over het individuele gedrag van de individuen of klassen maar over de ontwikkelingsfase van de maatschappij. Maar waar komt dat oordeel vandaan? Wat rechtvaardigt het? Volgt het rechtstreeks uit de materialistische ontwikkeling van de maatschappelijke ontwikkeling en tendeert het rechtstreeks naar een rechtvaardige samenleving? De rechtvaardigheid is daarmee dan impliciet een onderdeel van de historische ontwikkeling. En wat maakt het mogelijk dat wij dit deze eindfase beoordelen als rechtvaardig? Hebben wij een aangeboren neiging tot rechtvaardigheid, één van de categorieën van Kant om de wereld te ordenen, maar evenzeer om deze te beoordelen? Opnieuw Schumpeter legde in de eerste hoofdstukken van zijn beroemde Capitalism, Socialism and Democracy het accent op de religieuze kenmerken van het marxisme. Hij kwalificeert het zelfs als een religie die met een eigen heilsverwachting de onderdrukten een nieuw - in dit geval aards - paradijs voorschotelt. Een heilsverwachting impliceert een moreel oordeel en een norm voor rechtvaardigheid. Juist de religieuze dimensie geeft het marxisme zijn ethische lading. Maar waar vinden we de wortels van die ethiek?

 

V

Marx’ sociale filosofie heeft een sterk empirische lading door deze te baseren op historische economisch onderzoek. Uit historisch onderzoek kunnen wellicht patronen en verbanden in de ontwikkeling van de mensheid worden opgespoord, maar hoe kan deze ontwikkeling tegen een ethische meetlat worden gehouden? Er zijn in dezen twee mogelijkheden:

-Een ethisch oordeel dat door de materiële verhoudingen zelf in het hoofd van de observerende mensen wordt gelegd. In dit geval is de onderzoeker Marx zelf en zijn ethisch oordeel het gevolg van de bestaande productieverhoudingen op het moment van zijn leven. Hij beoordeelt niet alleen zijn eigen tijd maar ook het verleden met de ethiek van zijn eigen tijd;

-Een ethisch oordeel dat ligt opgesloten in de ontwikkeling van de geschiedenis. De sociale en economische rechtvaardigheid die de mensen door de historische ontwikkeling vanzelf in de schoot wordt geworpen. Hoe kan de onderzoeker die rechtvaardigheid hebben ontdekt? Door wetenschappelijk onderzoek waarmee hij de ondergang van het kapitalistisch systeem heeft bewezen en de komst van de klasseloze socialistische maatschappelijk heeft voorspeld? We hanteren in het laatste geval een cirkelredenering: immers, zelfs al kan de richting en de eindfase van de maatschappelijke ontwikkeling worden voorspeld dan is het de vraag hoe de toekomstige maatschappij kan worden beoordeeld als rechtvaardig of onrechtvaardig. Kortom, waar kwam Marx’ opvatting over rechtvaardigheid vandaan?

In het eerste geval is sprake van een zuiver materialistische opvatting, waarbij wel de vraag naar voren komt hoe het mogelijk is dat de productieverhouding een moreel oordeel in de geest mogelijk maken.

Wie bepaalt wat rechtvaardig is; hoe kunnen de productieverhoudingen als rechtvaardig of onrechtvaardig worden bestempeld. Is er toch een kader, een denkraam aanwezigh in de geest van een mens? – in navolging van Kant: is er een categorie in de menselijke geest die – weliswaar gevoed door de materiële verhoudingen diezelfde verhoudingen mogelijk maakt? We komen dan automatisch uit bij de 2e mogelijkheid. Was Karl Marx idealist in stilte, of nog erger: zonder dat hij het zelf wist?

 

B

 

Franse filosofen

Franse filosen

Utopisch socialisme, positivisme, materialisme, marxisme

1e helft 19e eeuw

 

P.J. Proudhon

 

 

Bron: Störig, Geschiedenis van de filosofie

 

Deze periode is de tijd van de strijd om het erfgoed van de revolutie in drie politieke richtingen:

1. Rechts, reactie en restauratie: herstel van de kerkelijke en monarchale heerschappij van vóór de revolutie

2. Midden, liberale burgerij: verdediging en consolidatie van de “derde stand”.

3. Links, de “vierde stand”: onbevredigde massa’s die hun eisen stellen in het tijdvak van de industrialisatie.

In de filosofie vinden we deze richtingen terug.

1. Rechts, de Romantiek (sterk verschillend van de Duitse)

belangrijkste figuur: Joseph de Maistre (1754-1821)

2. Midden, belangrijkste figuur: Maine de Biran (1766-1824)

3. Links, utopisch socialisme, in tegenstelling tot het wetenschappelijk socialisme van Marx. De belangrijkste figuren zijn Claude Henri de Saint-Simon (1760-1825), Charles de Fourier (1772-1837) en Pierre Joseph Proudhon (1809-1865).

De belangrijkste denker in die tijd was Auguste Comte, een leerling van Saint-Simon . Zijn hoofdwerk was “Cursus in de positieve filosofie”, (1830-1842 in 6 delen).

 

 

P.J. PROUDHON 1809 – 1865

(uit H.P.G. Quack, Leven en werken van P.J. Proudhon)

 

Eerste sociale studie: De la célébration du Dimanche. (1839)

De zondagsviering bekijkt hij vierledig:

1. Vanuit de Staat/de maatschappij

2. Vanuit het huisgezin

3. Vanuit de zedelijkheid

4. Vanuit de gezondheid

Deze studie is doordrongen van één overtuiging: de gelijkheid van de levensvoorwaarden en de gelijkheid van de capaciteiten van de mens

 

Tweede sociale studie: Qu’est-ce que la Propriété

Ook deze studie heeft dezelfde overtuiging: gelijkheid

Doel van deze studie: het dogma van de gelijkheid vestigen door het begrip van eigendom te ontdoen van zijn absolute karakter.

Nooit kan een recht van bezit worden erkend als de één werkt en de ander (de bezitter) zelf niets uitvoert en rust. Hij schrijft: “Wat is eigendom?” Antwoord: “Diefstal”

Het recht van eigendom moet worden beschouwd uit het oogpunt van het algemeen belang, niet van individueel belang.

De burgerlijke wet kan geen grondslag van het eigendom zijn. Grond kan nooit voorwerp van eigendom zijn, hooguit het vruchtgebruik. De maatschappij had door wetten dat vruchtgebruik kunnen regelen. Zelfs erfopvolging had volledig behouden kunnen blijven. Dit in tegenstelling tot de opvatting van Saint-Simon die de erfopvolging wilden afschaffen.

Tot privaat-eigendom had de maatschappij niet kunnen besluiten; het gelijkheidsbegrip verzet zich daartegen. Arbeid kan geen eigendom opleveren. Arbeid leidt juist tot gelijkheid van eigendomsrecht. Het verkrijgen van eigendom zou op een overeenkomst moeten berusten (zie ook Hugo de Groot en Jean Jacques Rousseau). Dan had er een tweezijdige rechtshandeling moeten zijn. Men staat geen recht af zonder equivalent. De arbeider behoudt, zelfs na zijn salaris te hebben ontvangen, een natuurlijk recht van eigendom op de zaak die hij heeft voortgebracht. Ook is er bij productie altijd een collectieve kracht die een zaak tot stand brengt. Altijd blijft er dus een collectief eigendom over, dat het individu op zichzelf niet zou hebben verkregen. Arbeid wijst dus vanzelf op gelijkheid. In een goed geordende maatschappij moeten de lonen gelijk zijn. Elke waarde heeft alleen als maat de tijd en de uitgaven die de zaak heeft gekost en deze zijn voor iedereen gelijk.

Eigendom is onmogelijk omdat daar, waar eigendom bestaat, de productie meer kost dan zij waard is. Het is een hersenschim, iets ijls en daarbij nog iets tegenstrijdigs in zichzelf.

Eigendom is onmogelijk omdat het van niets iets eist; het is de ontkenning van de gelijkheid van mensen.

 

Dus:

1. Het begrip eigendom moet worden ontdaan van zijn absoluut karakter.

2. In plaats daarvan moet komen een recht van bezit in die zin dat nooit een recht van bezit kan worden erkend waarbij de één werkt en de ander niets uitvoert en rust.

3. Recht van eigendom moet worden beschouwd uit het oogpunt van algemeen belang in plaats van individueel belang.

 

Proudhon gaat uit van het idee dat eigendom een “buitenkans” is. De eigenaar hoeft niet meer te werken maar laat anderen dat doen. Hij vordert slechts op zijn tijd een “prime d’oisiveté”. Een premie voor het niets doen.

De kern van zijn betoog, zegt Proudhon, is gevat in 9 regels:

1. Producten worden alleen geruild tegen producten

2. Arbeid moet in evenwicht zijn met het product; het gevolg van eigendom is dat productie meer kost dan zij waard is.

3. Eigendom miskent de gelijkheidsverhoudingen door te eisen dat de opbrengst zich meet naar het kapitaal, zonder te letten op de arbeid.

4. Arbeid produceert voor zichzelf.

5. Eigendom, met zijn vraag naar een dubbel product, plundert de arbeider en doodt hem.

6. Eigendom veronderstelt in de mens meer dan één wil, meer dan één ziel.

7. Elke consumptie die geen nuttigheid reproduceert, is vernietiging: dit doet het eigendom

8. Het recht op een zaak is bevredigd door het bezit daarvan, maar het eigendom is nooit voldaan.

9. Eigendom bestaat nooit op zichzelf, heeft altijd iets bijkomstig als beweegkracht nodig, namelijk: macht of bedrog. Eigendom op zich is een negatie, een leugen, een niets.

 

Waarom bestaat eigendom als dit onmogelijk en onrechtvaardig is? Omdat de mens de rechtvaardigheid geschonden heeft.

Als eigendom door bezit wordt vervangen zullen de exclusieve vormen van communauteit en eigendom teniet worden gedaan. Het bezit, in alles gegrond op de behoefte, zal de vorm van vrijheid zijn.

Het bezit beweegt zich in de sfeer van het recht; eigendom is tegen het recht.

“Vernietig den eigendom door het bezit te behouden, en door deze enkele wijziging van het beginsel zult gij alles in wetten, regeering, economie en instellingen veranderen: gij jaagt het kwaad weg van de aarde”.

Alle socialisten hebben een dwingende kracht verondersteld die de mensen dreef en in het gareel bracht. Proudhon verzet zich tegen deze kracht. Hij verlangt volmaakte vrijheid, zelfbepaling en zelf beschikking voor elke persoon. Hij eist soevereiniteit van het individu.

“Aan welke vorm van regeering gaan wij de voorkeur geven?

Republikein, ja maar dat woord preciseert niets. Respublica, nu, dat is de algemeene zaak, dus kan ieder, die de algemeene zaak wil, onder welke regeeringsvorm dan ook, zich republikein noemen.

Welnu zijt gij democraat? Neen.

Wat, zoudt gij monarchaal zijn? Neen.

Constitutioneel? De hemel beware mij.

Gij zijt dus een aristocraat? In de verste verten niet.

Wilt gij dan een gemengden regeeringsvorm? Nog minder.

Wat zijt gij dan? Ik ben anarchist.”

 

Proudhon wilde dus ontkenning van elke autoriteit: het doel van de samenleving was de vrijheid van bestaat en van beweging van het individu. Men zou pas later de zin “eigendom is diefstal” opvatten als belediging van de maatschappij en als opstandskreet. Er ontstond een storm van verontwaardiging. Zijn medestanders opperden dat Proudhon het niet zozeer op het kapitaal gemunt had maar op de rente. Het volk moest deze bede tot de koning richten: “Koning, verbind u met het volk. Laat toch al die hebzuchtige bankiers, die twistende advocaten, die onedele bourgeois, die lage schrijvers aan hun lot over. Al die lieden haten u, Sire, en steunen u enkel en alleen omdat zij bang voor ons zijn. Voltooi het werk der vroegere koningen, vermorzel de aristocratie en het privilege, zweer samen met de proletariers, met het volk dat alléén een soeverein weet te eren en rondborstig en eerlijk weet te roepen: Leve de Koning.”

 

Aan het eind van 1847 formuleerde hij het begrip anarchie steeds scherper. Dit begrip plaatste hij steeds meer op de voorgrond. De Staat, moest ophouden een “plechtanker” voor de mensen te zijn. Het volk moest optredentegen het beginsel van de Staat. De vraag was volgens Proudhon niet een andere, betere vorm van de Staat te bedenken, maar het gezagsidee, het Staatsidee, moest weggevaagd worden. Geen hervorming maar een heel andere opvatting van de samenleving. Na het uitbreken van de revolutie van 24 februari 1848 waarbij Frankrijk (of liever Parijs) het koningschap overboord zette en zich stortte in de armen van de republiek werd Proudhon door deze beweging bijna vanzelf “in de hoogte geheven”. Maar de beweging en de nieuwe republiek voldeden in geen enkel opzicht aan de eisen van Proudhon. In diverse afleveringen van zijn weekblad Le Peuple preciseerde hij zijn standpunt. Deze revolutie was geheel en al een volksbeweging. Het Voorlopig Bewind stelde slechts de verouderde wijsheid van vroeger in de plaats van een nieuwe richting. Proudhon veroordeel alle decreten van het Voorlopig Bewind. In de republiek heeft iedere burger “doende wat hij wil en slechts dat wat hij wil, direct deel aan de wetgeving en de regeering gelijk hij wil heeft aan de productie en aan de circulatie van den rijkdom”.

De republiek is een positieve vorm van anarchie. Het is de vrijheid die verlost is van alle belemmeringen: het bijgeloof, het vooroordeel, het sofisme, het gezag; het is de onderlinge vrijheid.

Hij richtte een krant op die uiteindelijk genoemd werd “Le Peuple”. Het was een der vurigste, tergendste, snijdende bladen van de revolutie. In de verkiezingen juni 1848 werd hij door Parijs gekozen tot afgevaardigde. Hij stelde een beginsel op met daarin drie middelen die de republiek ter hand moest nemen.

1.Een absoluut en consequent doorgevoerde tiërcering van de inkomst uit pacht, huur en kapitaal, ten behoeve van grotendeels de Staat en ook ten behoeve van de pachters, huurders en schuldenaren van het kapitalisten.

2.Een verlaging van de prijzen van alle producten en diensten.

3.Organisatie van de circulatie. Een bank moet worden opgericht die geheel en al gericht is op het begrip reciprociteit. Een bank die “credietpapier” van totaal andere aard dan het gewone bankbiljet. Hij noemde die bank een “ruilbank” (banque d’ échange). De dekking zou slechts is producten bestaan in plaats van goud.

De consequenties hiervan zouden zijn overboord werping van bankiers en financiers, een vergroting van het débouché door de uitbreiding van ieders koopkracht en een afschaffing van de bestaande vormen van belasting en die te vervangen door een kleine verhoging van de discontopremie (belasting op producten). Afschaffing van douanerechten, zodat de buitenlandse betrekkingen en verhouding zouden worden vereenvoudigd.

 

Al zijn ideeën vatte hij samen in een toespraak tot de volksvertegenwoordiging. Deze toespraak leidde tot een pandemonium, slechts 2 van de 693 leden sprak steun uit voor Proudhon. De regering begon een vervolging tegen hem en hij werd tot 3 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

 

In de gevangenis schreef hij het boek “Les confessions d’un Révolutionnaire”. Hierin beschrijft hij zijn eigen leven en de omwenteling van 1848.

 

Anarchisme

Daarna schreef hij een boek over zijn theorie van het anarchisme “Idée générale de la Révolution au XIXe siècle”. Het wordt beschouwd als een der belangrijkste werken van de 19e eeuw over de revolutie. Het boek bevat 7 studies waarin hij probeert elementen te vinden in de omwenteling die tot transformatie en reconstructie van de maatschappij moeten leiden.

Hij wil om te beginnen afrekenen met twee begrippen van het “officiële socialisme”: associatie en gezag.

Het beginsel van associatie is solidariteit, gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, fusie tegenover derden van rechten en plichten. Allen staan voor allen in: de kleinste is evenveel waard als de grootste. (Louis Blanc: van ieder volgens zijn krachten, aan ieder volgens zijn behoeften).

Proudhon zegt dat dit beginsel geen algemene wet kan worden omdat het begrip improductief en hinderlijk is, slechts toepasselijk in heel speciale omstandigheden. Bovendien groeien de nadelen sneller dan de voordelen. Eénzelfde associatie kan nooit al de arbeiders van éénzelfde industrie omvatten, noch alle industriële corporaties, noch minder een natie met 36 miljoen inwoners.

Het tweede begrip is dat van gezag en gouvernement. Dit begrip heeft volgens Proudhon zijn oorsprong in het empirisch gegeven van het familieleven. Steeds, na elke omwenteling, reconstrueerde men het gezag naar een nieuwe vorm. Men riep steeds om een nieuw en beter gezag. Proudhon stelt dat langzaam het besef ontstaat dat het gezag zelf iets onnodigs en overbodigs is. Luther was een der eersten die in geestelijk zaken het gezagsidee ondermijnde. Het begrip van vrije overeenkomst tussen mensen drong zich op de voorgrond: het Contrat Social.

Jean Jacques Rousseau was de man die volgens Proudhon de mensen op het verkeerde pad bracht omdat hij het sociale contract smeedde tot een politiek sofisme. Het werd een toestand van bescherming, verdediging van goederen en personen. Rousseau wist niets van economie. Het werd een “wijding van ellende, gegrondvest op volkssoevereiniteit”. Rousseau werkte zijn stelsel op mathematische wijze uit. In plaats van de algemene wil kwam de wil van de meerderheid. In plaats van een directie transactie zou de burger slechts de bevoegdheid hebben de wetgevers bij meerderheid van stemmen te benoemen. De tirannie was daar, kwaadaardiger dan vroeger omdat zij niet van boven naar beneden kwam. “Het veldwinnen van deze theorie heeft Frankrijk meer goud, bloed en schande gekost dan de regeering der drie befaamde lichtekooien; La Châteauroux, Pompadour en Dubarry”.

Proudhon stelt dat het idee van gezag langzaam teniet wordt gedaan, daar waar men het begrip van arbeid en vrije overeenkomst gaat begrijpen. Hij wil ook orde, maar als uitvloeisel van zijn wil, als voorwaarde van zijn arbeid, als wet van zijn rede. Hij verzet zich tegen de wettenmakerij sinds de Franse Revolutie van 1789 waardoor “spinnenwebben werden gemaakt voor de rijken en ketens van ijzer en staal voor de armen”. Nooit zal hij de orde gehoorzamen als die door een vreemde wil wordt opgelegd. Slechts één wet is nodig: doe niet aan een ander wat ge niet wenscht dat aan u wordt gedaan.

Hij bespot de constitutionele monarchie die de belangen van het individu ter behartiging opdroeg aan zoogenaamde volksvertegenwoordigers: achtenswaardige burgers door het lot uitverkoren, bemoeizieke helpers van het individu dat zichzelve best helpen kon.

 

Zijn volgende stap was om in plaats van het oude gouvernementele “regime” het economisch of industrieel regime te stellen. Dit regime zou bestaan in een richting van een maatschappij die tot grondslag zou hebben een organisatie van economische krachten.

Er is drieledige taak:

1.een halt toeroepen aan de desorganiserende strekking en stroming die is overgeleverd uit de revolutie van 1789 en liquidatie van de gevestigde belangen

2.organiseren van de economische krachten en geven van een constitutie aan het eigendom

3.het politieke stelsel “dompelen, oplossen en doen verdwijnen in het economisch stelsel, door achtereenvolgens het één na het ander, de raderen van die groote machine die men Staat noemt, te verminderen, te vereenvoudigen, te decentraliseren en te vernietigen”.

 

Hij wijst al direct op het bankstelsel. De verschillende scholen van de socialisten waren het er over eens de Franse Bank tot staatsbank te verklaren om de voordelen die direct waren te verkrijgen aan de Staat te schenken. Proudhon verzette zich daartegen. Hij wilde niets weten van een staatsbank. Hij wilde de hele bank verklaren tot een instelling van algemeen nut en dus de liquidatie van de bestaande vennootschappen. Was de bank eenmaal gedemocratiseerd dan kon de kwestie van de staatsschuld worden aangepakt met als enig doel daaraan een einde maken. Verlaging van de rentestand zou vanzelf tot stand komen. “Thans is de financieele feodaliteit aan de beurt om haar privileges te verliezen”.

Vervolgens moest de kwestie van de gebouwde eigendom, dus het woningvraagstuk voor het volk, worden opgelost. Huurcontracten moesten een werkelijke handelstransactie worden.

 

Dan zal op gelijke manier een regeling getroffen moeten worden voor het grondeigendom.

“Elke betaling van een pacht voor het gebruik van een stuk grond zal aan den pachter een deel van den eigendom in dat stuk grond doen verkrijgen en zal hem tot een hypotheek strekken. Elk eigendom aan grond, zoodra het in zijn geheel betaald is, zal onmiddellijk van de gemeente (la commune) afhangen, die in de plaats zal treden van den vroegeren eigenaar, en met den pachter zal deelen het bloote eigendom en het netto product”.

De grondbelasting zal worden afgeschaft en de grondpolitiek zal aan de gemeenteraden zijn opgedragen.

 

Daarna kan worden overgegaan tot de organisatie van de economische krachten. De vrijheid van de mens laat niet toe dat hij geregeerd wordt door verkiezingen of stemmingen, waar dan de meerderheid de wet maakt. Een ieder moet geen andere wet volgen dat zijn eigen. “Ieder regeere zich-zelf. Een ieder stelle zich-zelf de wet”.

 

De economische kracht van de arbeid.

De boer die grond bebouwt blijft op zich zelf staan. De sociëtaire vorm is op landbouw niet van toepassing. Anders wordt het bij de industrie. Daar komt een nieuw element bij: de collectieve kracht of arbeidsverdeling. Wanneer in een onderneming uit een combinatie van verschillende industrieën een nieuw werk ontstaat, dan is het niet voldoende alleen kapitalisten en ondernemers samen te brengen: er zijn werknemers nodig die een grote en omvangrijke arbeid combineren. Voor de grote industrie moeten werkliedengenootschappen ontstaan. Dit zijn nieuwe stichtingen die door een tweevoudig contract zijn gebonden.

Ten eerste een contract tegenover de gehele maatschappij. Het genootschap verbindt zich altijd de goedkoopste inkoopprijs te leveren voor producten en diensten, dus concurrentie en openheid van de financiële boeken.

Ten tweede een contract met de personen en gezinnen waaruit het bestaat. Ieder individu heeft een onverdeeld recht in het eigendom van het genootschap. Hij heeft het recht alle functie te bekleden, alle rangen te vervullen “volgens hetgeen aan de sekse, den ouderdom, het talent en de opklimming der jaren voegt”.

Hierdoor, stelt Proudhon, zijn de belangrijkste vraagstukken van de collectieve kracht en de arbeidsverdeling geregeld.

 

De handel

Goedkope afzet of markt, binnenlands en buitenlands ruilverkeer zijn de onderwerpen die tezamen draaien om het begrip Waarde. Alle zaken zullen tot een juiste maatstaf of prijs moeten worden herleid.

 

De Kerk

Proudhon zag echter het bederf in het Frankrijk onder Napoleon III binnensluipen. De energie na de revolutie verslapte. Geldbejag doorstroomde alles. Heftig liet hij zich uit over de koortsachtige prikkeling van de literatuur. De romans van George Sand, de gedichten van Alfred de Musset waren voor hem een ergernis. De boeken en geschriften van vrouwelijke auteurs noemde hij de letterkunde der pornocratie.

 

Het heftigst keerde hij zich tegen de “ultra montaansche” kerk. Onder het bewind van Napoleon III begon de kerk zich een steeds sterkere positie te veroveren. Hij schreef in drie delen het boek “De la Justice dans la Révolution et dans l’eglise” (1858). Het is een boek dat men moet lezen wanneer men zich een beeld wil vormen van de geestesgesteldheid van de 19e eeuw tussen de jaren 1850 en 1860. Het heeft geweldige opschudding in Frankrijk en in Europa veroorzaakt.

De inhoud van het boek komt erop neer dat de maatschappij het gevaar loopt zich te ontbinden. Waar moet de maatschappij haar redding vragen: bij de kerk of bij de revolutie.

De woorden recht, plicht, zedenleer en deugd hebben niet meer dezelfde betekenis als vroeger en zeggen niets tot het verstand en het hart. De twijfel verdort alles. Er is geen gedachte aan rechtvaardigheid, geen achting voor vrijheid en er is geen solidariteit onder de burgers. Er bestaat geen instelling die men eerbiedigt; elk beginsel wordt ontkend en door het slijk gehaald. De samenleving heeft meer nodig dan de wet: het heeft geloof nodig. Man en vrouw hebben behoefte aan een “huwelijksgeloof” dat hen opheft boven zichzelf, producenten en verbruikers van goederen hebben een juridisch geloof nodig dat hen verheft boven de egoïstische lusten, burgers hebben een politiek geloof nodig dat hen opheft boven het individualisme en hen aanzet zich tot een levend geheel te verenigen en hun geluk in eendracht te vinden.

Dat geloof, zegt Proudhon, moet in onze tijd gegeven worden niet door de kerk, maar door de revolutie. De mens moet er toe komen, uit een gevoel van eigen waardigheid, partij te kiezen voor de anderen, zelfs tegen zichzelf. Boven zijn egoïstische wil schept hij een juridische wil en krijgt zo een grootheid en een waardigheid die hij eerst niet had.

 

De kardinalen, aartsbisschoppen en bisschoppen lieten het boek vervolgen. Proudhon werd wederom veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 4000 frank. Hij vluchtte naar België.

Hij schreef daar in 1860 en 1861 drie boeken:

“La querre et la paix”

Een theorie van het volkenrecht, gebaseerd op het idee macht

“Theorie de l’Impot”

Hij bestreed hierin het systeem van de belastingen de oppermacht van de Staat.

“Les Majorats littéraires”

Hij bestreed hierin het literaire eigendom en wees in het algemeen op de corruptie binnen de journalistiek.

 

Staatseenheid

Eén vraagstuk bleef hem bezighouden: de strijd tegen de Staatseenheid.

Ook in Europa veroverde dat begrip steeds meer een plek. Dat zou volgens Proudhon het evenwicht en de historische vrijheid der volken noodlottig worden.

Tegenover die eenheidsbegrippen stelde hij dat in het idee van federalisme het ware heil besloten zou liggen. Eenheidsstaten waren volgens hem een valstrik voor de vrijheid en een dreigend gevaar voor Frankrijk.

De ontwikkelingen in Europa gingen echter de andere kant op. Napoleon III had door zijn oorlog met Italië (1859) de hartstochten van de mensen ontketend. Proudhon verkondigde dat de eenheid van Italië geen voordeel voor Europa had en dat federalisme beter was. De Belgische liberalen lazen dat met wrevel. In hun strijd tegen het klerikalisme wilden zij juist een Italiaanse eenheidsstaat die de verdrijving van de paus uit Rome mogelijk zou maken.

De intocht van Garibaldi in Brussel veroorzaakte een ongekend enthoiusiasme van de Brusselse liberalen. Proudhon verzette zich tegen deze algemene dronkenschap zoals hij het noemde. De Belgen werden woedend en joegen hem en zijn gezin het land uit. In 1862 keerde hij terug naar Parijs.

Hij schreef er zijn bekende boekje “Du Principe fédératief”. Voor de toekomst van Europa zweefde hem een constitutie voor de geest zoals die in Zwitserland of de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Elk land zou zich kunnen oplossen in een Statenbond van provincies of gewesten. Hij kwam hierdoor politie en sociaal steeds meer alleen te staan.

 

Hij schreef zijn laatste boek “De la Capacité politique des classes ouvrières” (1864) voor “de werklieden”, omdat hij tekenen van beterschap in Frankrijk bespeurde tijdens de algemene verkiezingen in 1863. Voor het eerst begon men in Frankrijk en ook daarbuiten belangstelling te koesteren voor de keuze van het Wetgevend Lichaam. Naast de burgerij begon de arbeidersdemocratie zich te roeren. De vraag werd besproken of het goed zou zijn voor de Kamer arbeiderskandidaten te stellen. De leiders van de oppositie tegen Napoleon III uit 1848, raadden de arbeiders af met eigen kandidaten te komen maar de legale oppositie die het zo goed deed in de Kamer te versterken. Als de overwinning was behaald konden de arbeiders misschien wel met eigen kandidaten komen. De arbeiders gaven toe, tegen de zin van Proudhon. Er ontstond een tweedeling: stad en platteland wilden beide emancipatie maar elk op hun eigen manier. In dit boek houdt Proudhon een opmerkelijk betoog dat voor het socialisme van overwegend belang is geworden. Hij trekt alle draden uit zijn vroegere werk samen: streng vasthouden aan de vrijheid, bepleiten van de anarchie, zijn beginsel van mutuellisme - om tot de slotsom te komen dat het heil van de mensheid gelegen is in een ander soort socialisme dan door zijn partijgenoten werd voorgestaan. Die socialisten zagen als einddoel van hun streven het collectieve stelsel. Het was uit de verte een nabootsing van het oude communistische denkbeeld. En dit was alleen te verwezenlijken door dwang. Het eigendom, het bedrijf, de levenswijze van de mensen moesten zich voegen in het gareel van deze organisatie.

Proudhon meent dat dit socialisme regelrecht voert tot dwingelandij. Daartegenover stelt hij het begrip van de vrije persoonlijkheid. Niet gezag maar vrijheid moet de leuze zijn.

Voor hem is er voor de mensen op aarde in waarheid geen ander beginsel dan: “doe niet aan de anderen wat gij niet wilt dat u geschiedt” of anders gesteld: “doe altijd aan de anderen het goede dat gij van hen zoudt willen ontvangen”. Dit beginsel breekt met alle autoriteit, het berust op zelfgekozen autonomie van elk redelijk mens, het huldigt strenge arbeidsvrijheid, het trekt om elke mens een cirkel waarbinnen hij op zijn wijze beschikt en gebiedt. Maar het eerbiedigt die vrijheid en die beschikking in ieder ander.

 

Pierre Joseph Proudhon sterft op 19 januari 1865.

 

At van Rijsdam

Sept. 2016